Handel & Nijverheid

Handel & Nijverheid

Schelpenvisser Aad Koning (Jan Kokke)

Geschreven door Cor Draijer   
vrijdag, 10 april 2009 18:00
Uit de klink van 1986 - De Schelpenvisserij
 
Wij spraken daarover met Aad Koning "ien van Jan Kokke", zegt hij dan met de blik op zo'n geschilderd beeld van de schelpkar met visserman op het strand, die bij hem thuis aan de wand hangt. Je hoort dan van de grote stelregel: "eerst het paard en dan de man". En dat betekende dat vér voor je aan het echte werk kon beginnen "de beesten an de kost moesten" en dat de eigen hap pas kwam aan het einde van een lange harde dag maar de paarden geheel verzorgd waren.

Zandvoort - Schelpenvisser
   
       Voor het beroep van schelpenvisser moest je een fit en gespierd iemand zijn 

 
Ja, hij was wel trots, toen hij het voor elkaar had, dat hij als 13-jarige toch maar bij Meester Van Eekeren van school B van school werd gestuurd, want zoals zij vader toen zei: "dan kan dat joch ook mee naar strand". De trots sloeg wel om in een andere stemming. "Je was altijd nat" en werken was het met je hele lijf. Een deel van de schelpen werd in die jaren per trein afgevoerd en er gingen 130 grote kruiwagens in een wagon. "Ga er maar aan staan in 2 uur tijd". Het was met de schelpenvisserij al net als met de visserij op zee. Het zijn de natuurlijke elementen, die bepalen of er wel te vissen valt ja of nee. De stroming moet de schelpen naar de kant brengen en daarvoor was een juiste wind nodig. "Legge ze daer?" was de bekende vraag aan de mannen onder elkaar en met een teken van de beugel omhoog, werd zonder te spreken het antwoord gegeven.

Zandvoort - Schelpenvisser
              Met een soort van schepnet worden de schelpen opgevist, uitgespoeld
                                                       en op de schelpenkar gegooid
.

Voor ƒ 1,25 per kar

"Oostenwind deugd nergens voor, alleen voor de was!" Deze afhankelijkheid maakte het gehele bestaan ook onzeker. Er zal ook in die tijd veel en lang naar de lucht gekeken zijn. Naarmate de geschiedenis als een beeldverhaal wordt verteld komen dan ook die kleine situaties naar boven.Wanneer de karren dan vol zijn en men gezamenlijk op weg gaat naar de bekende stortplaatsen.waar men dan bij de strandopgang steevast de vraag stelt: "ga jij voor?". Het was nl. van groot belang voor de paarden om de kar ook in het juiste slag te krijgen. Het slag is het spoor dat de wielen trekken door het rulle zand en dat slag werd zo in de loop van de dag natuurlijk altijd door het strandvolk dichtgelopen. Het feit, dat een goeie kar vol schelpen toch zo'n 900 a 1000 kg. weegt en voor ƒ 1,25 per kar werd afgeleverd bij particulieren, die deze schelpen dan voor hun tuin gebruikten of het pad naar de voordeur. Het gaat dan ook over de paarden, die altijd van het Oldenburgse ras waren,"die waren niet zo duur in de kost" De paarden die ook werden ingezet voor het vervoer van de redboot naar zee. En bij de paarden de smit Van Haaren uit Haarlem, die op de fiets langs kwam en met een houtje als meetlat de juiste ijzers meenam om thuis de paarden te beslaan. Kosten, ƒ 2,50. Ter vergelijking, het schijnt nu ƒ 120,-- te moeten kosten voor dezelfde handeling.

Zandvoort - Schelpenvisser
          Na het schelpenvissen werd de vangst naar de schelpenlosplaats gebracht 


Vergane bedrijfstak
Andere tijden andere zorgen en werkzaamheden. Zo werden de schelpenkarren ook ingezet voor vervoer van de tenten naar strand en omdat Zandvoort toch ook een traditie heeft op het gebied van aardappel teelt was de schelpkar ook in de duinen geen onbekend verschijnsel. Het ging ons echter om een beeld te schetsen van deze vergane bedrijfstak en degenen die hierbij betrokken waren.
 
Aad Koning bedankt.!

De Zandvoortse Duinkraal en andere piepers

it de Klink van 1986 - ZANDVOORTSE DUINKRAAL EN ANDERE PIEPERS
 
Zandvoortse Duinkraal en andere piepers
Dat is de titel van een artikel in het blad "DUIN", waarin o.a.door onze plaatsgenoot K.C.v.d.Mije Pzn. verteld wordt over de geschiedenis van de aardappel teelt in Zandvoort. Toen halverwege de jaren ’80 het Roggeveld door de gemeente in gebruik werd genomen voor het plaatsen van caravans,waren"de rapen gaar" en niet in het minst bij de Zandvoortse aardappeltelersvereniging, want "hun" land was niet meer beschikbaar voor het uitoefenen van de activiteit, die generaties lang in de Zandvoortse duinen wordt uitgevoerd. De caravans zijn inmiddels weg en de aardappels zitten alweer in de grond.

Het rooien van aardappelen in de Zandvoortse duinen omstreeks 1910 


De teelt van aardappelen
Het is toch wel bijzonder, die aardappelteelt. Zo is het bekend, dat rond de eeuwwisseling enige welgestelde families uit Zandvoort, die o.a. in de directies zaten van hotels in en buiten Zandvoort, speciaal mensen in dienst hadden voor de teelt van aardappelen. Natuurlijk voor eigen gebruik in de hotels maar ook voor de handel. Daarnaast is er altijd een grote groep individuele burgers geweest, die zich met de teelt van aardappelen hebben bezig gehouden. Dat was in vele gevallen wel nodig ook. Mensen met wat geld waren in staat mest te kopen bij de voermanderij en -het is allemaal voorbij maar Zandvoort kende op het hoogtepunt wel 10 voermanderijen met 7-10 paarden en daar waren zo ongeveer 70 tot 100 personen in dienst- had men geen geld voor mest, dan werd zgn.groenland gespit(stukken grond die ééns per drie jaar werden beteeld en waarvan de bemesting dan bestond uit de ondergespitte groene zoden.) 

Gaashek tegen de konijnen
De eerder genoemde vereniging heeft periodes meegemaakt, dat men wel zestig leden had. Na het planten van de aardappels (poters) werd er rond het perceel een gaashek tegen de konijnen geplaatst. Men verplichtte zich om na de oogst dit hek weer weg te halen. De Zandvoortse volkstuinders bouwden al gauw op hun land een huisje. De aardappeltelers daarentegen doen dit niet. Men zou tegenwoordig zeggen: zij doen niet aan horizonvervuiling.


Zandvoortse Duinkraal bestaat niet meer
Er was ooit een eigen ras: de Zandvoortse Duinkraal, maar deze bestaat niet meer.Toch zoekt men wel naar een eigen soort.dat o.a. tegen droogte kan en geschikt is om te groeien in kalkrijke grond. Volkstuinders proberen van alles op hun land te laten groeien en dat vraagt bijna een dagelijkse zorg.  Met de aardappeltelers ligt dit anders. Zij kennen maar twee bijzondere tijden, de spit/planttijd en de oogsttijd. Natuurlijk wordt tussentijds wel eens gewied maar wanneer de zaak groeit is er geen omkijken naar. Heel nauwkeurig wordt er acht op geslagen dat men de delen van het land om de drie jaren bebouwd. 

Aardappel-aaltje
Bij de vereniging heeft men bepaald dat om de vier jaar weer op hetzelfde stuk geteeld kan worden. Dit is een maatregel die verband houdt met het zgn.Aardappel-aaltje waarvan de nadelige gevolgen terugslaan op de bollenteelt en de overheid is zeer streng op de naleving van deze bepaling. Om de drie jaar gebruiken van een landje voor aardappelteelt lijkt voldoende om de "aardappelmoeheid " te voorkomen. Het hebben van eigen aardappelen is natuurlijk een apart genoegen, maar het plezier dat de mensen hebben in het totale pakket van werkzaamheden is ongetwijfeld van nog groter waarde. En omdat de liefhebberij bij de aardappeltelers heel erg aanwezig is zal "de Zandvoortse duinaardappel" nog lang niet verdwenen zijn.

Opperdoezer
De Zandvoortse Aardappeltelers Vereniging werd opgericht op 7 juli 1952. De oprichters waren: Jb. Koning(Withaar), Jb. Koning Hzn en K. C. v.d. Mije Pzn. Lang voor dat het woord 'zeedorpenlandschap' werd uitgevonden zorgde deze vereniging al voor de instandhouding van dit landschap. Dat de leden het experiment daarbij niet schuwen blijkt wel hieruit; één der leden, Engel Kerkman(Botje) had afgelopen jaar ook het aardappelras 'Opperdoezer' gepoot. Een aardappelras dat alleen verbouwd wordt op de hoog gelegen lichte zavelgrond rondom het West-Friese dorp Opperdoes. Gebleken is dat het ras in Zandvoort ook prima gedijt.

De vishal in Haarlem

Uit de Klink van 1993 - DE VISHAL IN HAARLEM.

 

Vishal op de Grote Markt
Vis maakte eeuwenlang een belangrijk deel uit van het dagelijkse voedselpakket. Verse zeevis was ruim voorhanden en goedkoop. Zo kostte rond 1650 een paar bokkingen of gerookte haringen slechts een duit (1/8 stuiver). Tot ver in de 17de eeuw was de aanvoer van zeevis groot. Deze vis kwam hoofdzakelijk van schepen die vlak voor de Noordzeekust visten. Uit de zuidelijke en noordelijke zeedorpen en zelfs uit Vlieland werden grote hoeveelheden vis in Haarlem aangevoerd en verkocht in de vishal op de Grote Markt. Het leeuwendeel van de vis was echter afkomstig uit Zandvoort. Vanaf de 18de eeuw nam de visconsumptie gestadig af. Zowel zoetwater- als zeevis-vangst daalde sterk tengevolge van overbevissing en vervuiling. De kustdorpen werden tevens getroffen door hevige stormvloeden en het verstuiven van de duinen.

Haarlem - De vishal
   De vishal op de Grote Markt te Haarlem. Tekening door Cornelis van Noorde. 
       Circa 1755, op deze plek werd door de visloopsters de vis verhandeld

             overgenomen uit : Het schetsboek van Cornelis van Noorde
                                  Schuyt en Co, Haarlem, 1982
Viswijven
Hoogstwaarschijnlijk ligt de begindatum van de bouw van de Vishal in 1601. In 1603 was de bouw voltooid want een burgemeester resolutie uit die periode vermeldt dat de 'viswijven' bij het stadsbestuur hadden geklaagd dat ze het 's winters, wanneer de wind uit het noorden of oosten kwam, zeer koud hadden. Schelvis, kabeljauw, schol, haring, rog; het zijn slechts enkele voorbeelden van de grote sortering visresten, aangetroffen in de gezeefde grondmonsters afkomstig van archeologische opgravingen op de Grote Markt.
Zandvoort - Visloopster omstreeks 1900 - Vrouw van Floor de Bokkum
     
Bomschuiten
Al vroeg in de ochtend verzamelden de vishandelaren zich op het Zandvoortse strand. Nadat de bomschuiten waren 'gestrand' werd de vis op het strand uitgestald. De handelaren kochten partijen in de afslag op waarna de vis in rieten manden werd gestapeld. Tot ver in de 19de eeuw kon men er dagelijks getuige van zijn hoe in de vroege ochtend de hele handel door visvrouwen naar Haarlem werd vervoerd. Om op tijd voor de afslag te zijn moest men voor 10 uur in de Vishal zijn gearriveerd. Op blote of kousenvoeten, de rieten manden op de rug trokken zij over het zanderige Visserspad naar Haarlem. Vanaf de herberg Kraantje Lek werd de tocht op klompen voortgezet.
Zandvoort - Vis mijnen met de mijnstok
       
     Het zg. 'mijnen' van de vis. Op het strand liggen hoopjes verse vis. Met de
      mijnstok wordt aangewezen welke hoop er wordt geveild en de hoogste
                                   bieder mag het meteen meenemen.

 
Visaccijns
Vanaf de late middeleeuwen speelde de visafslag, waar de aangevoerde vis werd geveild en aldus aan de visverkopers werd verkocht, een belangrijke rol. Niet alleen kon op deze wijze een duidelijke doorzichtige prijsvorming tot stand komen maar belangrijker was dat de stedelijke overheid door middel van een centrale aanvoerplaats gemakkelijk belasting kon innen. Want gekoppeld aan de afslag moest tevens accijns betaald worden: Vanaf 1774 tot aan 1825 werd door de stad visaccijns geheven. Voor vis, via Haarlem naar andere steden vervoert, moest eveneens worden betaald. Zo betaalden in 1770 Zandvoorters, die hun vis met de trekschuit naar Amsterdam vervoerden, 'voor ieder bennetje' drie stuivers.

Slechte vis
Voorverkoop van vis was ten strengste verboden. Niet alleen zouden op deze wijze de afslag- en accijnsgelden worden ontdoken, het gevaar van prijsbederf lag eveneens op de loer. Bij overtreding werd men beboet. De afslager was niet alleen verantwoordelijk voor een zo goed en eerlijk mogelijk verloop van de afslag, hij behoorde ook toe te zien op de kwaliteit van de vis. Bij twijfel moesten de keurmeesters gewaarschuwd worden. Bedorven voedsel is een bedreiging voor de gezondheid en ook toentertijd werd daar al op toegezien. Of de keurmeesters ook echt hun vak verstonden valt te betwijfelen. Zij lieten zich vaak iets in de hand stoppen en ook gebrek aan kennis leidde er herhaaldelijk toe dat er slechte vis werd aangeboden.

Zandvoort - De Visloper D.A.C. Artz (1837-1890)
 
Visbanken
Na de afslag werd de vis direct binnen de zeevismarkt gebracht en op de visbanken uitgestald. Iedere verkoper was verplicht gebruik te maken van de visbanken die door de stad werden verhuurd. Uit de achttiende-eeuwse verhuurlijsten blijkt duidelijk een overwicht van visverkopers uit Zandvoort. Zij wisten zich, tot de Haarlemse Vroedschap in 1774 maatregelen nam, een monopolie positie te verwerven waarbij visverkopers uit andere kustplaatsen zoveel mogelijk werden geweerd. In de Vishal was alleen verkoop van zeevis toegestaan. Andere koopwaar moest "onder de toonbank door".

Zandvoort - Visloopster
 
Verhuur van de visbanken
De markt was dagelijks van tien tot vijf uur open, verkoop buiten deze uren leverde een boete op. Met betrekking tot de hygiëne was men op de vismarkt heel precies. Elke handelaar moest zijn bank schoonmaken volgens daaraan gestelde eisen. Al in 1524 was elke visverkoper verplicht een tobbe bij zijn visbank te plaatsen voor het visafval. In de jaren dertig van deze eeuw nam de opbrengst van de verhuur van de visbanken sterk af. Toenemende winkelverkoop en sterke achteruitgang van de visconsumptie lagen daaraan ten grondslag. In 1941 kwam een einde aan de Vismarkt.
 
Harry Opheikens
 

Schelpenvisser August v/d Mije (De Steek)

Geschreven door Cor Draijer   
vrijdag, 10 april 2009 18:00
ZANDVOORT - Het beroep schelpenvisser, ook wel schelpenbagger genoemd, is in Zandvoort een inmiddels uitgestorven beroep. Dit jaar ben ik in het plaatsje Koksijde in België geweest. Voor mensen met jonge kinderen is het een echte aanrader; het park Plopsaland met kabouter Plop en consorten, Samson en Gert, Big & Betsy, Wizzy & Woppy, Piet Piraat en soms ook K3 ligt daar vlak in de buurt.

Zandvoort - Schelpenvisse
           
                                August v/d Mije (De Steek) 

Spectakel aan de vloedlijn
Op het strand van Koksijde voltrok zich dagelijks een waar spektakel. Ruim 10 paarden en evenzoveel wagens trokken vanuit het centrum in een soort optocht naar de vloedlijn om op garnalen te gaan vissen. Misschien is het een leuk idee om in het kader van Zandvoort 700 jaar de Zandvoortse traditie van het schelpenvissen als traditioneel en folkloristisch gebeuren in ere te herstellen. 

Kalkovens en glasindustrie
Immers, reeds in de 12e eeuw komen we het beroep van schelpenvisser al tegen. Op houten wagens met schotten van een halve meter hoog werden de schelpen vanuit Zandvoort door de duinen naar Haarlem gebracht, naar de Leidsevaart en het Spaarne alwaar de schelpen werden overgeladen in een schip om vervoerd te worden naar de kalkovens of de glasindustrie. Dit transport naar Haarlem was zeer tijdrovend en over de verdiensten moest ook nog belasting worden betaald. 

Accijns op het schelpenvissen werd afgeschaft
Het is aan twee Zandvoortse schelpenvissers te danken dat in 1394 hertog Albrecht van Beieren de accijnzen op het schelpenvissen afschafte, waardoor dit beroep opbloeide. Kalk van schelpen stond in de 17e eeuw hoog aangeschreven en de meeste kalkovens lagen ver van de kust. De dichtstbijzijnde in Akersloot, om precies te zijn. Toen het toerisme in opkomst kwam, was het snel afgelopen met het schelpenvissen, er was makkelijker en sneller geld te verdienen aan de toeristen. 

Kalkoven voor schelpen

Kalkovens in Akersloot in onbruik
Na de Tweede Wereldoorlog werden de kalkovens in Akersloot niet meer gebruikt en werden zij afgebroken. Gelukkig niet voor de sloop maar om weer opgebouwd te worden in het Zuiderzeemuseum. De ovens zagen er kegelvormig uit en hadden een hoogte van 15 tot 20 meter. De schelpen werden erin verhit tot 900-1200 graden Celsius. Het proces zette de schelpen om in koolzuurgas en calciumoxide. Dit calciumoxide is ook bekend onder de naam ongebluste kalk. Het letterlijk blussen met water leidt tot de vorming van calciumhydroxide, ook wel kalkhydraat (hydra = water). Door dit nu fijn te malen ontstond er metselkalk. De sluiting en afbraak van kalkovens werd tevens veroorzaakt door de import van goedkope kalk uit het buitenland en de opkomst van de cementindustrie. 

Kalkovens voor schelpen

Bloedbuurt
Overigens was het opvissen van de schelpen alleen weggelegd voor gespierde mannen. De “schilpkarren” werden voorzien van hun lading door de beugels (de schelpnetten). Met name bij Oostenwind wordt door de onderstroom de schelpen aangevoerd die bij eb op het strand en in de golfslag achterblijven. De beugel wordt door de golfslag getrokken terwijl de schelpenvisser voetje voor voetje achteruit loopt. Het net door het water en over het zand schrobbend om de schelpen in de beugel te krijgen.. Na enige tijd wordt de beugel omhoog getild om een laatste keer de buitgemaakte schelpen in een aanrollende golf goed door te spoelen. Daarna werd met een sierlijke zwaai de beugel boven de kar gegooid zodat het net omsloeg en de schelpen in de kar terecht kwamen. Als de kar vol was, vertrok hij naar de zg. Bloedbuurt, daar waar nu de Brugstraat is. 

Per trein naar de kalkfabrieken
Vandaar uit ging het, toen de trein in Zandvoort zijn intrede deed, per spoorwagon (130 kruiwagens) naar de kalkfabrieken. De foto van deze week mocht ik ontvangen van August v/d Mije en laat zijn grootvader August v/d Mije zien, zijn bijnaam was “De Steek”. 



Dit artikel is verschenen op 18 december 2003 in het weekblad "De Zandvoorter"