Uit de Klink van 1993 - REDDINGSPOGINGEN BIJ HET VERGAAN VAN DE SALENTO.
Hommage aan Hendricus Johannes ter Wolbeek en het onbekende reddingbootpaard.
 
(Herinneringen bij een aquarel van Paul Albers.)
 
Ja, als ik daar naar kijk dan herinner ik mij weer levendig die stormdagen in de laatste week van november 1928. We stonden daar hoog boven het strand op de duinreep, de drie broertjes Van den Bos, Jan, Simon en ik. ’s Morgens om half zes had vader ons gewekt en hoorden we buiten, daar boven aan het Schuitengat de paardenhoeven trappelen, de ijzeren banden van de wielen knarsen op de schelpen en de trekkettingen rammelend slepen op de straatstenen. De reddingsboot ging uit! Vlug de kleren aan, de zwarte hoge schoenen, jas, das en muts, en met vader mee in de storm van de donkere morgen. Voor het huis omlaag naar het strand en speurend naar den einder over een kokende bruisende zee, die wit was onder een schemerachtige lucht met grijze, zwarte, voortgejaagde wolkenflarden. Naar de kop van de Zeeweg, daar was een schip gestrand!
 
26 november 1928
Een uur lopen tegen de noordwester. Met het gebulder van de zee en de wind in je oren. Naar de vierde paal! Het was maandagmorgen, 26 november 1928. Jan was twaalf, Simon was acht en ik was tien. En daar stonden we dan boven op de duinreep ter hoogte waar later het Karrewiel zou slaan. Want de reddingboot was te water gegaan. De dageraad was inmiddels aangebroken en we waren omhoog geklauterd tegen het steil afgekalfde duin om verder te kunnen zien en de reddingboot beter te kunnen volgen in zijn omhoog en omlaag tussen de huizenhoge golven. Ver weg, voorbij de bruising van de vierde bank, lag dwars voor de kust het grijs zwarte silhouet van dek, stuurhut, pijp en laadmasten van een schip. Eigenlijk voor het blote oog moeilijk zichtbaar, maar toch herkenbaar. Maar de grote spanning lag nu bij de mannen aan de riemen in de reddingboot. Het waren IJmuidenaren die, gelijktijdig met de Zandvoorters op de plaats des onheus gearriveerd, zee gekozen hadden.
 
Ontzettend sterke vloedstroom
De Zandvoorters hadden dat weekend al een bijzonder zware redding achter de rug, bij de zesde paal om de zuid. Een zware succesvolle onderneming, maar ze waren ook nu weer bereid. Was er op zaterdagmiddag gevochten tegen een ontzettend sterke vloedstroom langs de kust, waarbij de poging om de branding van twee zandbanken te passeren drie maal opnieuw moest worden ondernomen; nu moest de branding van vier onderzeese banken worden gepasseerd. Het leek de IJmuidenaren, ervaren vletterlui als ze waren, een heel eind te lukken en reeds twee waren ze gepasseerd. Hoe klein is toch zo’n flinke reddingboot, als je hem uit een golfdal weer moedig ziet opklimmen tegen de volgende aanbruisende roller. En hoe reddeloos verlaten lijkt die handvol mannen, in zo'n ontoombare zee. Wie zal hen redden als er iets gebeurt? Het was de tweede poging die de mannen ondernamen. De eerste was door storm en zee afgeslagen, te ver verlijerd door de sterke ebstroom om nog succes te hebben.
 
Hamburgse Heinrich Podeus
Terug naar 't strand, op de kar getrokken, een kilometer de noord in gebracht en daar weer te water gelaten, de golven ingedoken. Met de toenemende dageraad konden de jochies daarboven op de duinreep alles steeds beter volgen. Er hadden zich al heel wat dorpelingen daaronder op het strand verzameld, onder wie vrouwen en familieleden van de reddingboot bemanning. Allen in grote spanning om de IJmuidenaren die daar hun leven waagden. De afstand naar het gestrande schip leek onmogelijk ver voor dat dozijn mannen daar in die notendop. Met hoeveel moeite en gevaren hadden de Zandvoortse reddinglui anderhalve dag geleden na drie pogingen tenslotte nog op het nippertje de hoog op het strand geschoven Hamburgse Heinrich Podeus bereikt. Toen de zee later gekalmeerd was kon je met laag water om de schuit heen wandelen.

Zandvoort - Het vergaan van de Salento
    De Salento, vlak na de storm, terwijl deze reeds gezonken is en op een zandbank ligt

 

Het is hier levenden naar de doden brengen
Maar deze Italiaan uit Ban, de Salento, lag een kilometer uit de kust tegen de vierde bank. De reddingboot was nog maar halverwege op haar riskante onderneming en de zee was door de ontzettende branding bij de zich onder water bevindende zandbanken eigenlijk onbevaarbaar geworden door de zich hoog verheffende omslaande bruisende watermassa's. " Het is hier levenden naar de doden brengen", had schipper Willem Paap van de Zandvoortse reddingboei gezegd, met de nog verse ervaringen van zaterdag 24 november in de botten. En hij had geweigerd zee te kiezen met zijn mannen. Hij achtte de situatie onmogelijk en nam ter plekke de verantwoording, de levens van zijn mannen er niet aan te wagen. De Zandvoortse visser kende het best die riskante zandbank kust, waar bij een normale stevige bries het in zee steken om de open zee te bereiken voor de kustvisserij steeds een zaak van berekening en zeemanschap was.

Zandvoort - Het vergaan van de Salento          Overleg op het strand wat te doen, in de verte de inmiddels vergane Salento

 
Geweldige watermassa
In zee steken en aan land komen, aan deze manoeuvres heeft de oude strandvisserij veel vissers verloren. Dat sprak uit Willem Paap. Geen gebrek aan moed was het bij deze bedachtzame stoere man, maar kennis van zaken en het kennen van zijn verantwoording. Helaas, de zee gaf gelijk daarop het tragisch bevestigende antwoord. Een geweldige watermassa stuwde opeens de schuit met mannen recht overeind op de achtersteven, wierp de boot om over de punt in een diep waterdal en bruiste over de kiel en de drenkelingen verder.Dat was niet mogelijk wat de jongetjes zagen, daar staande tussen de zwiepende helmpluimen boven op de hoge duinreep. Die boot en die mannen! Zo straks op het strand, met reddingvesten en roeiriemen! Ze hadden er zo onneembaar stoer uitgezien in hun jongens ogen. Ongelofelijk, dat de zee dat kon.
 
Geen man meer te bekennen
Waar was de boot? Daar had je'm weer! -Maar och, met de kiel naar boven, stuurloos heen en weer geworpen. En waar waren de mannen? Wat een ontzetting, geen man meer te bekennen in dat woedende water. Stom en verslagen stonden ze daar naar die woedende zee te staren. Maar opeens een kreet van verrassing en hoop. Kijk! Daar klimt er één omhoog tegen de omgekeerde schuit! En nog één en nog één! Handgrepen onder de boot! Dat vonden de jongens maar geweldig, dat gaf een opluchting! En zie, zelfs het merendeel der mannen scheen erin te slagen zich nog uit die kokende kolkende watermassa op te hijsen tegen de omgekeerde boot om zich eraan vast te klampen. Of het allen waren en of ze zo veilig het strand zouden bereiken, dat bleef een grote, grote spanning, Want de zee was niet tevreden en sloeg toe met huizenhoge schuimende rollers. Het strand lag nog zo ver.
 
Sterke ebstroom
Daar liepen de vrouwen te huilen en de mannen vroegen vertwijfeld: Wat nu? Men hoorde roepen: Nu moeten de Zandvoorters de zee in! Er was een heen en weer. Wel zag men hoe storm en water de boot nader naar het strand wierp, waar roller na roller uiteindelijk z’n woeste loop beëindigde, schurend met een sterke ebstroom langs de kust, waarin een mens haast met geen mogelijkheid kon blijven staan. In deze kolkende situatie te redden was wel gelukt tegen de lijzijde van de hoge wand van de Heinrich Podeus, met een grijplijn, door de schepelingen omlaag geworpen en gegrepen door de oude Jan Kerkman (Janbroer), de voorman op de steven van de reddingboot. Een neer gelaten touwladder en grijplijn bleken daar onmisbaar te zijn geweest bij het redden van twee dozijn schepelingen. Maar hoe nu hier, een heen en weer geworpen object, als een groot stuk wrakhout, scheef en dwars schuivend voor de ontzettende rollers, geen enkel vast punt biedend, hoe dit te enteren en de zich vastklampende mannen een beter houvast te bieden aan een tweede op en neer dansende reddingboot?
 
Grijplijn
Geen moment zou deze scheef of dwars voor de kustrollers mogen komen te liggen op gevaar van kapseizen, op gevaar voor het eigen leven. Schipper Willem Paap kreeg een dramatisch gelijk dat het niet kon! Eigenlijk speelde zich toen op het strand in een zeer korte tijdsspanne een groot probleem af onder de mannen die het konden weten en die het zouden moeten klaren. Uitgesproken of niet uitgesproken! Maar dat dilemma was er. Daarin bracht Jan ter Wolbeek een snelle beslissing. De jongetjes waren van de steil afgekalfde duinreep omlaag gesprongen en gegleden naar het strand. Daar gebeurde iets waar ze vlakbij wilden zijn. Het was ongelofelijk! Een man was te paard gesprongen en dreef dat dier de zee in ter hoogte van de omgeslagen boot. Hij had het einde van een zeer lang touw in de hand en vele mannen op het strand grepen deze grijplijn, klaar zich mee te water te begeven.
 
Het paardenvolk van de reddingboot
Het was een ongelofelijk staaltje van moed, van zelfvertrouwen en van vertrouwen op een dier. Ter Wolbeek behoorde niet tot de manschappen van de KNZRM. Hij had een voermansbedrijf achter de Zuid-boulevard op de hoek van Marnixstraat en Marisstraat. Hij wist van omgaan met paarden. Ter Wolbeek was te fiets naar de plaats van de ramp gekomen en had zich in dit kritieke moment tot het paardenvolk van de reddingboot gewend: de schelpenvissers die hun paarden altijd voor de reddingboot bereid hielden. Of het een paard was van de jongens van Vossen, van Bank Schelvis, van Vok de Beer, van de Witkop, van Jan Kokke, Gerrit van Steek of van Jaap Leut? Of zelfs van Vogerazzy, de Hongaarse beschermeling van ome Gijs de Kouwe? We weten het niet. In ieder geval was het een vreemd paard voor de man die er op zat en die alle mannen vooruit ging. Het was een godswonder zoals die man met dat paard de zee de zee in draafde en dwars door golf na golf heen dook. "Ik drukte het paardenhoofd krachtig omlaag als ik ook zelf voorover moest bukken voor zo'n golf; en dan maar dwars er door!" vertelde Ter Wolbeek later.
 
Ongeluksboot
Een eind achter zich een grote sliert mannen aan de grijplijn, waar tussen de jongetjes Vader en oom Jan van den Bos zagen, maar voor de ruiter uit de beukende golven met de nader geworpen boot met krampachtig zich vastklemmende drenkelingen erop. Ter Wolbeek dacht zijn hele leven later met bewondering aan dat dier, dat zich zo direct overgaf aan de wil van een mens op zijn rug. De vrees was, dat de boot nog een keer zou kantelen waardoor de verkleumde, uitgeputte IJmuidenaren zouden loslaten en meegevoerd worden in het zog van de sterke ebstroom. De Zandvoorters stonden bijwijlen tot de hals in het water aan de grijplijn. Gelukkig wisten man en paard de ongeluksboot te bereiken en was er één slachtoffer die een hand dorst los te laten, de lijn wist te grijpen en aan een handgreep te bevestigen. Zo trokken de Zandvoorters de boot naar zich toe en bereikte men de ongelukkigen, die men stuk voor stuk nog met grote moeite door het eindeloos af en aan stromende zeewater aan land bracht.

   Zandvoort KNZHM Bemanning reddingsboot Ir. S.L. Louwes. vlnr. Floor Koper (schipper), Rook Koper, Ab Kraaijenoord (opstappers), Ab Bos (motordrijver)
                                             Bemanning reddingsboot Ir. S.L. Louwes.
vlnr. Floor Koper (schipper), Rook Koper, Ab Kraaijenoord (opstappers), Ab Bos (motordrijver)
 
Ongeoorloofd schoolverzuim
De latere schipper van de Zandvoortse reddingboot, Floor Koper, vertelt hoe hij zich vasthoudende aan die grijplijn, Piet Visser naar het strand bracht. Piet Visser heeft deze verschrikkelijke tocht niet overleefd en met hem Reijer King. Hulp was er inmiddels van veel kanten gearriveerd daar op het Bloemendaalse strand.Ter Wolbeek bracht tenslotte het paard behouden terug naar de eigenaar. Kletsnat zocht hij zijn droge jekker, die hij ergens op het strand had achtergelaten. Hij vond de jas nergens en zag die ook nooit weer. Hij stapte zo op de fiets en reed naar huis, naar Zandvoort terug. Ook vader en oom Jan, nat tot op het hemd, gingen huiswaarts, vier kilometer lopen, verkleedden zich daar en gingen weer aan het dagelijkse werk. Vader werd de volgende dag bij de bovenmeester geroepen. Hij kreeg een ernstige waarschuwing voor ongeoorloofd schoolverzuim.
 
Nooit zal ik vergeten…
Wat bleek? De drie zoontjes hadden er een hele vrije stranddag van gemaakt. Dat was vader ontgaan, want de schavuiten waren wel, hongerig zoals altijd aan de warme maaltijd gekomen, om twaalf uur, keurig tussen de schooltijden. Vader kennende gingen ze wel te ver. Maar vader heeft er ons geen woord over gezegd. Hij begreep kennelijk dat wij ons die dag niet konden losmaken van de zee en het strand, waar hijzelf ons had heen gebracht. Moeder vertelde het ons later. Het mocht nooit meer gebeuren. Meer hoorden wij er niet van. Maar ook Ter Wolbeek hoorde nooit meer iets over die dag. Die dag dat hij zijn leven waagde voor de IJmuidenaren. Het is dit jaar vijfenzestig jaar geleden. Maar nooit zal ik vergeten die nacht en dag dat de Salento een kilometer uit de kust met man en muis verging, die omgeslagen reddingboot en vooral die man met dat paard in de stormzee.
 
L. N. van den Bos (Brevoort bai Aelte)